Martin Auer: De Vreemde Oorlog, Verhalen voor Vredeseducatie

   
 

De Blauwe Jongen

Please share if you want to help to promote peace!

Vertaling door Gerda Boel

Deze vertaling is nog niet nagekeken

De dagdromer
De Blauwe Jongen
Worteltjesplaneet
Angst
Opnieuw Angst
De Vreemde Mensen van Planeet Hortus
Foreword
Download (Alle verhalen in één print vriendelijk document)
Gastenboek
Over de vertaler
Over de auteur
Mail for Martin Auer
Licentie
Creative Commons licence agreement

Heel ver weg, voorbij de sterren, is alles heel anders dan hier.
En nog verder weg is alles weer helemaal anders dan daar, waar het zo heel anders is dan hier.  Maar als je ver weg zou vliegen, heel ver weg in de ruimte, naar die plaats waar alles helemaal anders is, daar zou het misschien weer bijna net hetzelfde zijn als hier.
Misschien bestaat er in dat verre gebied een planeet net zo groot als onze aarde, en misschien wonen er zelfs mensen op die planeet, mensen die er haast net als wij uitzien, behalve dan dat ze blauw zijn, en dat ze hun oren kunnen dichtklappen, als ze iets niet willen horen.
En misschien brak er wel een oorlog uit op die verre planeet en stierven er een heleboel blauwe mensen. Een heleboel weeskinderen bleven toen achter, en in het puin van een van de huizen, die door de bommen vernield werden, zat een kleine blauwe jongen zachtjes te huilen. Hij huilde omdat hij zijn papa en mama kwijt was. Een hele lange tijd zat hij daar maar te huilen. Maar toen hield hij op, want er waren geen tranen meer in hem. Hij zette zijn kraag op, stak zijn handen in zijn zakken, en ging op pad. Toen hij een kei voorbijkwam, schopte hij ertegenaan, en hij trapte op een bloem die op het pad groeide.
Een klein hondje kwam naar hem toegelopen, keek hem even aan en begon met zijn staart te kwispelen. Toen draaide het hondje zich om, en liep met de jongen mee, net alsof het had besloten de jongen gezelschap te houden.
"Ga weg!', zei de jongen tegen de hond. "Je moet weggaan: als je bij me blijft, moet ik van je houden, en ik wil nooit meer van iemand houden zolang ik leef."
Het hondje keek hem aan en kwispelde blij met zijn staart. Toen vond de jongen een geweer, dat naast een dode soldaat lag. Hij raapte het geweer op en toonde het aan het hondje. "Dit geweer kan je doden", zei hij boos. Het hondje rende er gauw vandoor.
"Ik neem je met me mee", zei de jongen tegen het geweer.  "Jij wordt mijn goede vriend",.en hij vuurde een schot af tegen een dode boom.
Toem vond hij een vliegende scooter, die ergens in een veld achtergebleven was. Hij ging erop zitten en probeerde hem in gang te krijgen. De vliegende scooter werkte!
"Nu heb ik een geweer en een vliegende scooter", zei de jongen. "Die worden nu mijn familie. Ik had ook een hond kunnen hebben, maar die zou kunnen gedood worden, en dan zou ik doodgaan van het huilen."
Hij vloog rond op zijn vliegende scooter tot hij een huis zag. Uit de schouw kwam een rookpluim. "Daar woont nog iemand," zei de jongen. Hij cirkelde rond het huis en keek door de vensters naar binnen. Er was alleen een oude vrouw, die aan het fornuis stond te koken.
De jongen parkeerde zijn vliegende scooter vlak voor het huis, nam zijn geweer en ging binnen. "Ik heb een geweer," zei hij tegen de oude vrouw.
"Je moet me iets te eten geven!".
"Kom maar hier, ik had je trouwens zo ook wel iets gegeven, hoor", zei de oude vrouw. "Begin maar te eten, en stop je geweer weg."
"Ik wil niet dat je aardig tegen me bent", zei de jongen koppig, "mijn geweer kan je doden!".
Toen stopte de oude vrouw hem gauw iets te eten toe, en hij vloog  weg.
Zo leefde de jongen nu. Hij maakte een schuilplaats in een verlaten huis. Als hij honger kreeg, vloog hij ergens naartoe waar mensen waren, en met zijn geweer dwong hij hen hem iets te eten te geven.
Soms vloog hij over de verlaten slagvelden, en verzamelde brokstukken van wapens en tanks en vrachtwagens die daar waren achtergelaten. Al deze dingen bracht hij mee naar zijn schuilplaats.
"Ik ga een gewapende reuzerobot maken", zei hij bij zichzelf. "Een robot van wel 100 meter hoog die wel honderdduizend ton weegt,  en helemaal bovenaan in zijn kop maak ik de cabine met de bedieningsknoppen. Dan heb ik de macht, en niemand die me dan nog iets kan doen!"
Op een dag kwam er een meisje zijn schuilplaats voorbij. De jongen kwam buiten met zijn geweer en zei : "Je moet weggaan. Mijn geweer kan je doden!"
"He, ik val je niet lastig, hoor", zei het meisje. "Ik kwam alleen maar even kijken of de paddestoelen al opnieuw groeien."
"Je moet weggaan!" zei de jongen. "Ik wil niemand om me heen!"
"Ben je hier helemaal in je eentje?" vroeg het meisje.
"Nee," zei de jongen. "Ik heb een geweer en een vliegende scooter. Die zijn mijn familie. En op een dag heb ik een gewapende reuzenrobot!"
"Heb je niemand die echt is?"
"Ik had een hond kunnen hebben. Maar als iemand hem had gedood, had ik moeten doodgaan van verdriet."
"Ik heb eigenlijk ook niemand meer", zei het meisje. "We zouden kunnen samenblijven."
"Ik wil niemand die zou kunnen gedood worden door een geweer!"
"Dan denk ik dat je maar iemand moet zoeken die niet door een geweer kan doodgemaakt worden!" zei het meisje, en toen ging ze heen.
Maar de jongen bouwde een gewapende reuzenrobot en klom erin. Hij zat helemaal boven in de kop, waar hij de cabine met de knoppen had gebouwd.
Dan trok hij eropuit, en reed rond in zijn gewapende reuzenrobot.
Overal waar hij voorbij kwam, begonnen de mensen te gillen, en ze wilden wegrennen, maar ze konden aan de gewapende reuzenrobot niet ontsnappen.
De jongen had een microfoon in zijn cabine. En alles wat hij door de microfoon riep, kwam uit de mond van de robot. "Is er hier iemand die niet door een geweer kan doodgemaakt worden?", schreeuwde de robot.  Maar overal waar hij kwam, renden de mensen alleen maar weg van hem, en hij vond nergens iemand die niet door een geweer kon doodgemaakt worden.
Op een dag zag hij echter vanuit zijn cabine bovenin de robot, iemand die niet voor hem wegrende, maar gewoon bleef staan en hem iets toeriep. Maar hij zat zo hoog, dat hij helemaal niet kon horen wat die persoon zei.
"Misschien is dat wel iemand die niet door een geweer kan doodgemaakt worden," dacht de jongen, en hij klom naar beneden. Maar het was de oude vrouw, die een tijdje geleden voor hem had gekookt.
"Wou je me iets zeggen?" vroeg de jongen.
"ja," zei de oude vrouw. "Ik heb gehoord over iemand die niet door een geweer kan gedood worden. Ik dacht dat ik  je dat misschien moest vertellen."
"En wie is dat dan wel?" vroeg de jongen.
"Het is een oude man, die daarboven op de maan woont,"
"Dan moet ik hem gaan opzoeken," zei de jongen, "want ik wil niemand om me heen die doodgaat door een geweer." Toen drukte hij een schakelaar in, en zijn gewapende reuzenrobot veranderde in een gewapende reuzenraket, waarmee hij naar de maan vloog.
Daarboven op de maan moest de jongen een hele tijd zoeken. Maar uiteindelijk vond hij de oude man. Hij zat achter een telescoop en keek naar de blauwe planeet beneden hem.
"Ben jij de oude man die niet door een geweer kan doodgemaakt worden?" vroeg de jongen.
"Wel, dat denk ik toch." zei de oude man.
"En waar kijk je naar in je telescoop?" vroeg de jongen.
"Ik bestudeer de mensen op die planeet daar beneden."
"Denk je dat ik bij je zou kunnen blijven?" vroeg de jongen.
"Misschien," zei de oude man. "Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan mij?"
"Omdat ik niet wil blijven bij iemand die door een geweer kan doodgemaakt worden.  Toen mijn ouders stierven, huilde ik alle tranen die ik had, Ik had een hond kunnen nemen. Maar als iemand die had gedood, had ik van verdriet moeten doodgaan. En ik had bij een oude vrouw kunnen wonen, en bij een klein meisje. Maar die waren niet kogelvrij, en als ze waren doodgegaan, had  ik  van verdriet moeten sterven."
"'Al goed," zei de oude man, "je kan bij me blijven. Niemand kan me doodschieten, want er zijn geen wapens hier."
"Is dat alles?" vroeg de jongen.
"Ja, dat is het," zei de oude man.
"Maar ik heb mijn geweer meegebracht."
"Wat jammer," zei de oude man, "nu kan je niet bij me blijven. Jouw geweer zou me kunnen doden."
"Dan moet ik maar weer terugvliegen," zei de jongen.
"Ja," zei de oude man.
"Jammer," zei de jongen.
"Vind je 't erg?' vroeg de oude man.
"Mm, ja," zei de jongen. "Ik was graag hier gebleven."
"Misschien zou je je geweer kunnen weggooien," zei de oude man.
"Misschien," zei de jongen, "maar wat moet ik dan doen?"
"Je zou door deze telescoop kunnen kijken. Dan zou je misschien kunnen achterhalen waarom die mensen daar beneden steeds weer oorlogvoeren."
"En waarom voeren ze steeds weer oorlog?"
"Wel, dat kan ik je ook niet vertellen. Ik denk dat het iets te maken heeft met niet genoeg over elkaar weten. Ze zijn met zovelen, en hun leven is zo ingewikkeld, dat ze niet weten hoe ze, door de dingen die ze doen,  invloed uitoefenen op andere mensen. Ik denk dat ze niet weten waar het vlees, dat ze eten, vandaan komt, of waar het brood, dat ze bakken, naartoe gaat. Ik veronderstel dat ze niet weten, of het ijzer, dat ze opgraven uit de aarde, gebruikt wordt om bulldozers of kanonnen te maken. Misschien weten ze niet eens of het vlees, dat ze eten, eigenlijk eerst bij andere mensen weggehaald is . Als ze zichzelf van hieruit zouden kunnen zien, zouden ze misschien een aantal dingen veel beter snappen."
"Dan moet iemand hen dat toch tonen!" zei de jongen.
"Misschien," zei de oude man, "maar daarvoor ben ik te oud en te moe."
Pas op dat moment liet de jongen zijn geweer vallen, en het viel helemaal door de ruimte op de planeet beneden hen, waar het in stukken brak.
Maar de jongen bleef nog heel lang bij de oude man op de maan, en keek door de telescoop om de mensen daar beneden te bestuderen. En misschien zou  hij op een dag naar beneden vliegen, om hen uit te leggen, wat ze verkeerd deden.

   
 

Deze site heeft zelf gepubliceerde inhoud door geregistreerde gebruikers. Als u opmerkt dat iets op spam of misbruik lijkt, neemt u dan a.u.b. contact op met de auteur.